Biografie

Van Huub van der Loo is de laatste jaren niet alleen twee-, maar ook driedimensionaal werk te zien geweest, in tentoonstellingen in een galerie, in een fabriekshal, maar ook in de openbare ruimte.

Hij is opgeleid als schilder, werkt sinds ongeveer 15 jaar in zijn atelier, maar ontwikkelde de laatste 6 jaar ook installatiewerk buiten het atelier.

Schilderijen

In grote abstracte schilderijen zijn landschappelijke elementen zichtbaar; onder andere gebaseerd op sporen van omgeploegde veld. Andere abstracte schilderijen bevatten herinneringen. Waar in vroege schilderijen architectonische ruimtelijkheid, gelaagdheid, transparantie en muzikale polyfonie uitgangspunten waren, wordt in het latere werk meer verwezen naar letterlijk bestaande situaties en omgevingen.

In 1996 leidde een onderzoek naar onderliggende bouwkundige structuren tot een eerste ruimtelijk werk. Van der Loo maakte in zijn atelier het werk Huisje, gemaakt van oude, uit dezelfde atelierruimte afkomstige raamkozijnen. De instabiele, lineaire constructie van aan elkaar bevestigde kozijnen die zo ontstond, deed eerder denken aan een ruimtelijke tekening dan aan een degelijk bouwwerk.

‘Het landschap in de meest brede zin van het woord speelt een leidende rol in het werk van Van der Loo. De architectonische en agrologische constanten in de schilderijen verraden zijn voorkeur voor een gecultiveerde versie van dit landschap. De accumulaties van lijnen en vlakken refereren aan bouwconstructies in een stedelijke omgeving, terwijl de gekromde lijnen van andere werken op hun beurt naar omgeploegde akkers in het boerenlandschap verwijzen. ‘(1)

‘De meeste van mijn ideeën voor schilderijen ontstaan vanuit bijvoorbeeld een krantenfoto, of tijdens aanwezigheid in een landschap of in een gebouw. Van die plekken maak ik vaak foto’s om later te kunnen gebruiken in het atelier. Ik denk en kijk dus eigenlijk in eerste instantie niet erg abstract. Als je probeert te beschrijven wat je zo bijzonder vindt aan een plek of een plaatje, noem je al gauw abstracte begrippen, maar dat gaat dus over heel aanwijsbare dingen. Een schilderij gemaakt vanuit die abstracties geeft de beschouwer aanknopingspunten voor eigen associaties, bijvoorbeeld vanuit herinneringen. Maar het is mijn manier van kijken naar dingen die ik laat zien, en mijn manier van werken waardoor het schilderij vorm krijgt. Een schilderij naar aanleiding van een omgeploegd veld is eigenlijk niet meer dan een opstapeling van vele gebogen lijnen verf. Toch is het voor de beschouwer genoeg om een indruk te krijgen van een herkenbaar landschap’. 

‘Ik gebruik hele basale recepten uit oude tijden om mediums en verf te maken van pigmenten, zoals het gebruik van bijenwas in meerdere verschijningsvormen. Daarbij ontstaan nogal eens gevolgen van combinaties van materialen, zoals oxidatieprocessen. Die bijna alchemistische instelling vind ik wel interessant en bruikbaar bij het schilderen.

Openbare Ruimte en installaties

Een eerste bewuste poging buiten het atelier en de galerie te treden leidt in 2004 tot een tentoonstelling van één dag, waarbij hij zijn schilderijen ophangt aan de betonnen pijlers van een viaduct. Deze ervaring van een bewuste ‘misplaatsing’ resulteert in een groeiende belangstelling voor het potentiëel van de publieke ruimte en voor de architecturale context als een creatief gegeven. 

Vier jaar eerder, tijdens een werkperiode in Frankrijk, gebruikt Van der Loo witte lakens om fruitbomen te isoleren uit hun omgeving om er foto’s van te maken. Uiteindelijk blijkt uit een opname van het totaalbeeld dat zich hier -onbedoeld- reeds een eerste picturale interventie in het landschap manifesteerde.  Sindsdien hanteert Van der Loo een gegeven ruimtelijke situatie bijna letterlijk als een doek. Hij benadert zijn publieke interventies dus niet vanuit de historiek en de methodologie van de ‘kunst in de publieke ruimte’, maar vanuit de schilderkunst.(2)

Maar hier toont hij ook een ander aspect; dat van de veranderlijkheid van de ordening van de publieke ruimte. In een stad in ontwikkeling ontstaan altijd tijdelijke, vaak ongewenste situaties, zoals bijvoorbeeld dichtgespijkerde panden of een leegstaand tankstation. Door een toevoeging of een verandering aan te brengen op zulke locaties wil hij de schoonheid van die tijdelijkheid laten zien en benadrukken.

‘Dat proces kent een heel sociaal aspect dat ik niet eerder had ervaren in mijn atelier: mensen beschouwen de publieke omgeving als hun eigendom en reageren heel direct op mijn acties, positief of negatief. Dat is soms heel verfrissend’.

Zo liet hij door een groepje welwillende bouwvakkers steigerdoek in door hem vooraf bepaalde kleurbanen aanbrengen op drie in aanbouw zijnde flats in Tilburg (Scaffolding I, II, III, Tilburg, 2007). Schilderde hij gedurende twee weken eigenhandig (en illegaal) een ingestorte staalconstructie tegen een pier aan de New Yorkse East River in fluorescerend roze (Pinking NY, 2004). En zette hij een stalen frame dat een historische gevel overeind hield in diverse gradaties groen, waardoor de hele gevel een drager van de compositie werd (Z.T. / Appeltjesgroen, 2004). 

PinkingNY

In een recente serie kleine schilderijen (2008-2009) is geëxperimenteerd met het gegeven van sampelen, het over elkaar leggen van meerdere lagen van verschillende ideeën: delen uit eerdere schilderijen worden hier gecombineerd met bijvoorbeeld een beeld uit de installatie in New York. Hiervoor zijn vele proeven gedaan met behulp van de computer. Omdat de achtergrond steeds als laatste geschilderd is (een vrij bewerkelijk proces in het echt, maar dat op de computer makkelijk gedaan is) en dus voelbaar dikker op het doek ligt, ontstaat een verweving tussen voor- en achtergrond. Het is een spel in hierarchie: de voorgrond wordt altijd als belangrijkste gezien, maar is in deze werken het restant van de dunne onderschildering.

50 x 70 cm, olieverf op linnen, € 700,-

In andere grote schilderijen is een kooivorm te herkennen, bewerkt tot een bijna abstracte structuur tegen een, ook weer later geschilderde achtergrond. Dezelfde vorm is ook terug te zien in een kleine neonsculptuur (Z.T. 2009). De oorspronkelijke kleine kooivorm van ijzer  (letterlijk gezien als een door lijnen afgebakende ruimte) die diende als basis voor deze schilderijen, werd -met bijenwas bewerkt- in een recente tentoonstelling aan de muur gehangen, met een omgedraaid resultaat: een ruimtelijk schilderij.

Het verband tussen ruimtelijke werken en schilderijen is ook terug te vinden in een recente installatie van tl-licht (Z.T., 2009), De oplichtende, gebogen lijnen in dit werk zijn gebaseerd op een aantal recente schilderijen en vormen samen met de dunne, hangende stroomdraadjes een ruimtelijke tekening (3).

Een eerdere installatie van tl-buizen voor een tentoonstelling in een fabriekshal, benadrukte de contouren van de plaatselijke dakconstructie (Definitely Overground / Light Drawing of a Secondary Structure,  2008), maar in dit recentere werk is de vorm vrijer, en inspireerde zelfs weer tot nieuwe schilderijen.

Gastatelier en curator

Behalve met zijn eigen werk trad van der Loo ook naar buiten als oprichter en curator van stichting Gastatelier ‘Van de Nieuwe Dingen’ (1996 – 2007). Samen met een partner werden ruim 10 jaar lang werkperiodes en tentoonstellingen georganiseerd voor gastkunstenaars. Nadat die periode werd afgesloten met een publicatie en een debat over gastvrijheid, heeft van der Loo in 2008 nog een tentoonstelling georganiseerd voor 9 bekende kunstenaars in een fabriekshal ( Aslijnen op Kopvlakken, Deprez, Tilburg.), met als uitgangspunt de architectuur van de fabriek zelf.

Uit: M. Beljon, Huub van der Loo: ‘Schilderijen, tekeningen en werken in de openbare ruimte’, 2007

J. Pas, ‘De stad als Canvas’, 2007

(3) met dank aan N. Mertens, ‘Huub van der Loo – Deprezhal, Tilburg’, 2008